In 1861 werd de rust op Rusthof danig verstoord.
Lakei Kleijn pleegde een 'aanslag' op Johannes van Rossum, die hierbij ernstig gewond
raakte. Het proces, dat volgde, werd door de roddelpers in alle geuren en kleuren
verslagen. Het om zijn hoge sensatiegehalte beruchte tijdschrift Asmodée schreef:
'De heer van Rossum schijnt nog al een liefhebber te zijn van het edele druivensap
en na het gebruik van eenige flesschen zeer ongemakkelijk te wezen voor wie hem te
na komt, de prinses niet uitgezonderd; dien ten gevolge zou, althans zoo zegt men,
Hare Koninklijke Hoogheid aan Klijn den last gegeven hebben den Heer Secretaris niet
al te veel wijn te geven, zoodat Klijn hem op eenen nacht weigerde meerdere flesschen
uit te reiken. Daarover schijnt de heer van Rossum boos-kwaad-nijdig te zijn geraakt'.
Kleijn werd veroordeeld tot een maand gevangenisstraf. Veel ernstiger was de slag
die Marianne enkele maanden later trof. Op de avond van de eerste kerstdag overleed
zeer onverwacht de twaalfjarige Johannes Willem op Reinhartshausen. Ter nagedachtenis
liet Marianne in Reinhartshausen een kerkje bouwen, met een mausoleum en ruimte voor
drie grafkisten. Daarin werd Johannes Willem bijgezet, in afwachting van zijn ouders.
Toen echter in 1873 Johannes van Rossum overleed, weigerde het vrome kerkbestuur
hem een plekje naast zijn zoon in het door Marianne geschonken kerkje. Iemand die
zo lang 'in zonde had geleefd' hoorde niet thuis in een kerkgebouw. Hij werd uiteindelijk
begraven op het dorpskerkhof, dichtbij het wijnkasteeltje van Reinhartshausen maar
ver verwijderd van zijn zoon. Tien jaar later stierf prinses Marianne. Zij werd,
volgens haar nadrukkelijke laatste wens, ook begraven op het eenvoudige kerkhof,
naast haar Johannes, met wie zij 25 jaar lief en leed had gedeeld. Zo werd Marianne
de Oranjeprinses die haar geliefde trouw bleef, zelfs in de dood. (Bron: Wiki.toenleidschendam-voorburg.nl)
Toen de jongen 12 jaar was (1861) werd hij met het oog op verdere opleiding toevertrouwd
aan dominee Wilhelm Feller, bestuurder van een onderwijsinstelling in Dauborn waar
jongelui van verschillende standen en opinies onderricht ontvangen. Toen Johann-Wilhem
zijn eerste kerstvakantie in Reinhartshausen doorbracht, werd hij plots ziek en stierf
op Kerstdag 1861 aan roodvonk. Hij werd begraven op het R.K. Kerkhof van Erbach.
Op de avond van de dood van de jongen deed Marianne een aanzienlijke schenking aan
de Evangelische gemeente voor de bouw van een kerk, hiermede de wens volgend van
haar zoon Johannes-Wilhelm. (Bron: Nationaal Biografisch Woordenboek)
Marianne schonk 60.000 gulden (toen een heel groot bedrag) voor de bouw van een Evangelische
kerk met pastorie en de aanstelling van een dominee. Daarmee zou het katholieke Rheingau
een Evangelische Kerk krijgen. Marianne liet in de oprichtingsoorkonden ook vastleggen,
dat voor de overledene een graftombe achter het altaar moest worden gemaakt met ruimte
voor nog twee grafkisten. De kerk moest ook een mausoleum voor haar zoon worden.
Marianne wilde daarmee ook een grafplaats voor haarzelf en voor haar levensgezel
Johann van Rossum vastleggen. Deze aanpak lijkt op een middeleeuws gebruik van het
stichten van kerken. De kerk werd later Johanneskerk genoemd. Marianne gaf de opdracht
aan de Nederlandse beeldhouwer Johann Heinrich Stöver een grafmonument te maken.
Hij maakte uit wit Carrara marmer drie allegorische figuren, die de graftombe moesten
versieren. Zij beeldden Geloof, Hoop en Liefde uit. De bouw van de kerk en de vervaardiging
van de beelden liepen tot grote ergernis van Marianne vertraging op. 1 augustus 1865
werd de kerk gewijd en in gebruik genomen. achter het altaar werd het lichaam van
Johann-Wilhelm bijgezet. Een kort opschrift meldde: "Ruhe sanft, Liebling".
Te laat ontdekte Marianne dat de klassieke beelden van de graftombe niet pasten bij
de Gothische kerk. Twee figuren staan tegenwoordig nog bij de ingang van de graftombe
achter het altaar van de Johanneskirche. Na de dood van haar zoon richtte Marianne
haar liefdadigheid op de kerkelijke gemeente, scholen, de armen en anderen.
Op alle belangrijke kerkelijke feestdagen gaf Marianne geld voor de armen van de
kerkgemeente, maar voor de katholieke armen. "Voor Goed zijn ze allemaal gelijk",
zei Marianne. Zij gaf ook geld aan de school van de Evangelische Gemeente van Rüdesheim
en vele andere instellingen in Rheingau en elders. Voorwaarde voor haar giften was,
dat de herkomst van het geld niet genoemd mocht worden. Marianne gaf regelmatig geld
in een envelop aan de dominee, die verantwoordelijk was voor de verdeling ervan.
Voor de dominee was het probleem, dat hij een vriendschappelijke omgang had met een
gescheiden vrouw, die met een man samenleefde, en met hem een onwettige zoon had
aan wie hij uiteindelijk de kerk te danken had. Dat was in die tijd moeilijk voor
een protestantse dominee. De dominee en zijn vrouw waren daarom blij dat hij in 1873
in Bierstadt werd aangesteld als dominee. (Bron: Hessische Biografie, Marburg)
Links: Allegorie van de Hoop door de Nederlandse beeldhouwer Johann Heinrich Stöver,
1863. Een van de drie allegorische figuren voor de graftombe van Johann Wilhelm von
Reinhartshausen, de zoon van Marianne van Pruisen. (Bron: Wikimedia.org) |