Links: Portret van Willem I (1772-1843),
koning der Nederlanden. Staande, ten voeten uit, in gala-uniform van generaal. Over
de rechterschouder het lint van het Grootkruis van de Militaire Willemsorde. Over
het uniform een rode met hermelijn gevoerde koninklijke mantel. Rechts de troon,
links een tafel met een landkaart van een deel van Java - Bantam, Jacatra en Cheribon
- (Indonesië), een kussen met kroon en scepter en een hoed met struisveren.
Schilder: Joseph Paelinck (1781-1839). (Coll. Rijksmuseum, Amsterdam)
De inhuldiging van Willem I vond plaats in de nieuwe hoofdstad Amsterdam op 30 maart
1814. Wanneer de macht van een vorst van goddelijke oorsprong is, wordt hij in de
meeste gevallen gekroond. In een constitutionele setting waarin dat niet het geval
is, zoals in de Nederlandse situatie, kiest men over het algemeen voor inhuldiging.
Omdat het voor Nederland om een nieuwe titel ging, moest bedacht worden hoe zo'n
inhuldiging er precies uit zou zien. Daarbij koos men voor een ceremonie die aan
de ene kant het belang van de nieuwe vorst en zijn land benadrukte, maar die tegelijkertijd
vanwege het slechte economische klimaat en 's mans zuinigheid sober was.
Vooral om de katholieken in het land niet voor het hoofd te stoten, zou de protestantse
Willem I niet op de Bijbel zweren, maar op de Grondwet. Omdat hij wel een religieus
tintje aan zijn inhuldiging wilde geven, koos hij als locatie voor de Nieuwe Kerk.
Om God toch een beetje op afstand te zetten bij deze staatkundige aangelegenheid
was dat gebouw op het moment van inhuldiging even kerk af en officieel aangewezen
als tijdelijke vergaderruimte van de volksvertegenwoordiging. (Bron: Geschiedenisbeleven.nl)
Op 16 maart 1815 aanvaardt hij de Koninklijke waardigheid.
De Prins had veel op met de bekwaamheid van die lieden en degene die negentien jaren
stil gezeten hadden werden als onbekwaam veracht..." De oude ultra onder de
Patriotten Valckenaar en Bilderdijk vonden elkaar in hun actie tegen de heren, die
de Keizer tot het laatst toe in de hoogste betrekkingen hadden gediend, en die waren
overgegaan nadat de omwenteling was gelukt en voordat Napoleon capituleerde. Hun
actie had niet het minste succes, ook niet onder het gewone publiek. Want - dat is
wel geestdriftig geweest in november 1813, maar het vuur doofde spoedig uit. Er was
geen herboren, sterke, zelfbewuste natie; er was een volk, dat hoopte, dat de oude
welvaart en gemoedelijkheid wel van zelf zouden terugkeren. Willem I was bijkans
de enige, die begreep, dat een verarmd en leeggeplunderd land alleen vooruit komt,
als er hard wordt aangepakt. Hij is de grote stuwkracht geweest om te komen tot economische
opleving en krachtsontplooiing. Nooit heeft hij zich zelve gespaard. Er bleef in
zijn leven altijd iets natrillen van wat hij schreef aan zijn moeder de dag na zijn
aankomst te Amsterdam: "Gij hebt geen denkbeeld, lieve Moeder, van de ontvangst,
die mij hier ten deel valt en van de blijdschap, die de natie aan den dag legt over
hare bevrijding en over mijn terugkeer. De algemeene wensch is, dat ik met de Souvereiniteit
zal worden bekleed. Gisteren heeft Amsterdam het voorbeeld gegeven en mij als Souverein
begroet. ledereen beschouwt dat als nuttig en noodig. Ik heb daarom gehoor gegeven
aan den algemeenen wensch, maar zonder den titel van Koning te willen aanvaarden,
daar ik geloof, dat het beter is voorloopig den naam van Oranje te behouden en mij
enkel te noemen Souvereinen Vorst der Nederlanden. Onder dien titel heb ik nu de
Souvereiniteit aanvaard en met den goddelijken bijstand zal ik trachten de taak te
vervullen, die de liefde en het vertrouwen der natie mij opleggen. Ik verheel mij
zelven noch de teleurstellingen, noch de moeilijkheden, die mij wachten, maar ik
meen uit plichtsgevoel aldus te handelen en met Gods hulp zal mijn eenig doel daarop
gericht zijn, de plaats, waarop de volkswensch mij geroepen heeft, want zelf kan
ik God niet genoeg smeeken, nij niet te verlaten op het doornig pad, waarop Zijne
wegen mij hebben geleid."
(Bron tekst: Oranje in ballingschap, H. Algra. Uitgave: J.H. Kok N.V., Kampen, 1948) |