Links: Afbeelding jonge Willem Frederik
George Lodewijk. Maker onbekend. (Bron: Katholieke Universiteit, Leuven)
Na een afscheidsvisite aan het koninklijke Pruisische Hof te Koningsbergen vertrok
de 16-jarige Erfprins eind mei 1809 naar Engeland. De beste route was via het neutrale
Zweden. Van Colberg, een havenplaats aan de Oostzee voer hij uit onder geleide van
zijn gouverneur kapitein Jean Victor de Constant Rebècque aan boord van een
klein schip, dat herinneringen opwekte aan de beschrijvingen van de fameuze pink,
die in 1795 hem naar Engeland had gebracht. De schippers deden moeite om niet met
de Denen in contact te komen, die vanuit Bornholm de Oostzee controleerden en het
Continentaal stelsel mee handhaafden. Zonder ongelukken kwamen zij inderdaad aan
de Zuidkant van Zweden en vonden er een Engel esakdder. De Erfprins was opgetogen
over het admiraalschip, het schip, waarop Nelson zijn laatste slag had gewonnen en
was gesneuveld. Over land reisde hij naar Gotenburg. Van Gotenburg ging de reis voorspoedig
naar Engeland, en de Prins maakte er een voordelige indruk. Hij miste de onhandigheid
in gezelschap, die anders het kenmerk is van zijn leeftijd. Toen reeds lieten sommigen
hun gedachten gaan over de vraag of niet een goede huwelijkskandidaat was voor Prinses
Charlotte, de vermoedelijke troonopvolgster. En bij die gedachten sprak de herinnering
aan de oude glorie, aan Willem en Maria. Wéér zouden op deze wijze,
zo was de overlegging, de kroon van Engeland en het Stadhouderschap in Nederland
eens worden verbonden. Intussen ging de Erfprins niet in Edinburgh studeren. De Engelse
vrienden waren daar gedecideerd op tegen. Edinburgh was een broeinest van liberale
opposotie en die in Engeland carrière wilde maken en voor de regering volkomen
accceptabel zijn, die studeerde in Oxford. Dus ging de Prins naar Oxford studeren
aan het Christ Church College, waarbij hij weer werd begeleid door de Constant de
Rebecque.
Er bleef tijd over om Engeland te leren kennen. Op een van zijn reizen ging hij naar
het Zuidwesten, naar de Torbay, waar toen de Engelse vloot dikwijls gestationeerd
lag, waar officiersvrouwen woonden in huizen bij de abdij, het begin het begin van
de badplaats Torquay. Aan de overkant van de baai bezocht hij het visseersplaatsje
Brixham, dat gedrongen ligt tegen de steile rotskust en waar in de kademuur een steen
is gemetseld, nl. de steen, waarop Willem III zijn voet zette, toen hij landde in
November 1688. En vlak daarbij is een eenvoudige herberg, volgens het opschrift het
verblijf van de Stadhouder een maal gemaakt tot een paleis. In het hart van de jonge
Prins groeide het besef, dat hij een traditie achter zich had.
Op 24 mei 1811 werd de Erfprins bevorderd tot Doctor in de rechten, waardoor de 18-jarige
het recht kreeg, mee te stemmen in zaken, de Universiteit betreffende en een gewaad
mocht dragen van scharlakenrood laken met mouwen van roze zijde. Hij schreef het
zijn moeder met een schetstekening er bij van de doctorstoga, die hij evenwel niet
heeft gedragen, omdat het hem een dwaas gebaar leek. De hele affaire van de promotie
heeft hem tenslotte niet zo bijster geïnteresseerd.
De brief, waarin hij er zijn moeder van vertelt, begint met heel andere dingen. Want
op aandrang van zijn vader zal hij na zijn promotie niet naar Berlijn terugkeren
en dus ook geen dienst nemen in het Pruisische leger. Hij gaat dienen onder de Engelse
vlag. Hij wordt benoemd tot luitenant-kolonel in het Engelse leger in Spanje; hij
zal dus dienen onder Wellington. Engelse taaiheid en Spaans fanatisme vechten daar
tegen Napoleon en zijn creaturen. De Erfprins heeft van het geld, dat zijn ouders
en zijn grootmoeder hem stuurden voor zijn verjaardag een paard gekocht, een "beau
cheval de bataille", donkergrijs, en als hij in de zadel zit, dan voelt hij
zich onoverwinnelijk, en denkt aan het slotkoor van Schiller's drama Wallensteins
Lager:
Im Felde, da ist der Mann noch was werth,
Da wird ihm das Herz gewogen.
(Bron tekst: Oranje in ballingschap, H. Algra. Uitgave: J.H. Kok N.V., Kampen, 1948) |